Met mijn vernuftig verstand - hm - was ik er achter gekomen dat er op onze parochie nog een oud-kandidaat-facteur woont, en gezien ik nogal graag mijn neus in andermans zaken steek - wat kun je daaraan nu verhelpen ? - trok ik mijn stoute schoenen aan om daarvan meer te vernemen.
Onze vriend Jos trof ik alleen aan bij de kachel die rood bloosde als een verlegen meisje, en waarop een stoofpot rustig stond te pruttelen.
"Wel Jos wanneer en hoe debuteerde U als kandidaat-facteur ?", zo viel ik met de deur in huis.
"Dat was in 't jaar 1905 toen het postkantoor van Puurs nog gevestigd was in 't Meuleke vlak naast de Zusters Ursulinen. Met een zestal kandidaten, legde ik mijn schriftelijke examens af bij de postmeester wiens naam ik mij evenwel niet meer kan herinneren. Ik was de enige die passeerde en 's dinsdags kreeg ik bericht mij de vrijdag daarop te gaan laten keuren in het militair hospitaal te Brussel. Ik kende er niets of niemand: nooit was ik er geweest, als kind had ik daar steeds met belangstelling horen over spreken. Mijn eerste gids was een plan van de stad Brussel. Maar gelijk een soldaat dat doet trok ik ook mijn plan, en de volgende vrijdag werd ik opgeroepen om 's zondags mijn dienst aan te pakken."
Terwijl Jos een genoeglijk trekje deed aan zijn sigaret en de sliertig opwalmende rook nakeek, alsof hij daaruit herinneringen opdiepte, vervolgde hij gemoedelijk: "Ge moet weten dat iedere vast aangestelde facteur toen 's zondags altijd vrij was en dus een kandidaat had die zijn dienst moest verzekeren. In de beginne waart ge dan met twee, kwestie van de route te leren en u zowel alle praktische zaken toe te eigenen. Natuurlijk deed iedere kandidaat zijn uiterste best om daarin snel aan te leren. Immers zolang de vast-aangestelde meeging kreeg de kandidaat geen cent vergoeding. Ik herinner mij het nog zo goed alsof het pas gisteren gebeurde: de eerste december 1905 deed ik alleen mijn ronde, die Overheide, Liezelheide en Lippelo omschreef. Tot in het jaar 1910 heb ik hier 's zondags en uitzonderlijk een keer in de week als kandidaat de dienst verzekerd." "Geloof mij vrij, geloof mij vrij," herhaalde hij, terwijl hij eens in mijn schalkse ogen keek, "dat was geen te onderschatten karwei die meestal te voet diende gedaan te worden - een bevoorrechte alleen kon zich de luxe van een fiets veroorloven. enne... maar straks meer daarover."
"Ge moet op Uw dienstronde wel een en ander tegen gekomen zijn, een sappige grap of iets dergelijks," onderbrak ik. "Dat zou ik wel geloven," lachte Jos zijn bruin berookte tanden bloot. "Eens op een zondagmorgen kwam ik in Lippelodorp meneer Pastoor tegen die me naar zijn briefwisseling vroeg. Daar ik deze niet onmiddellijk te pakken kreeg (deze zit immers altijd per straat geklasseerd) zei meneer Pastoor zo eens schalks : "Facteur, ge zit met verstrooiingen in uw hoofd." Waarop ik onmiddellijk reageerde : "Ja Mijnheer, met mijn lief." "O dat vrouwvolk," schuddebolde de herder. "Een ding heb ik er dan toch bij gewonnen, dat hij nooit meer naar zijn correspondentie heeft gevraagd." Jos beleefde er nog deugd aan. Dat zag ik maar al te duidelijk aan zijn genoeglijke, brede en spontane lach.
"Bij graaf de Beughem was het een ingeburgerde gewoonte, de besteller een tas koffie en een boterham te presenteren, wat in de koude periode niet te versmaden was, al hadden wij in volle zomer liever een goeie frisse pint gekregen. Burgemeester van Ingelghem daarentegen duwde ons altijd een fooike in de hand om ne keer te drinken, zei hij.
Maar ondertussen had ik er een beetje de "verlee" van gekregen. Immers in de week had ik thuis mijn handen vol werk en dan werd ik soms heel op 't onverwacht opgeroepen zodat heel mijn "regulatie" naar de vaantjes was. En 's zondags wanneer ik dan eens zou kunnen uitslapen moest ik voor dag en dauw uit de veren op dienst, door weer en wind. En vermits moeder mijn gedacht volledig beaamde diende ik op een dinsdag in 1910 mijn ontslag in. In afwachting evenwel moest ik de zondag daarop de dienst nog verzekeren. Aan een kameraad had ik ondertussen eens geopperd dat ik in dienst zou blijven, zo me een andere route werd aangeboden. Diezelfde zondag kreeg ik toch zo een beetje rouwkoop. Er heerste immers zo een gezellige kameraadschappelijke geest onder de kandidaten die onder mekaar afspraken om op een gezellige wijze de zondagnamiddag door te brengen. Alleen de beschouwing dit te moeten missen overtuigde mij in te gaan op het voorstel van de postmeester om te blijven, te meer daar ik een nieuwe route kreeg. Deze omvatte een gedeelte van Puursdorp, Kalfortbaan, Kalfortdorp, tot aan de Bonte en Mon Strop."
Even bleef Jos, de ogen strak naar de grond gericht, met zijn gedachten in de diepe nevelen van het verleden verwijlen. "Maar ja, schone liedjes duren niet lang," zei hij. "Kwam dan de oorlog 1914, welk een miserie, toen het verkeer bijna volledig gestremd was - In Puurs kwamen er geen treinen meer aan - werd ik dagelijks opgeroepen om heel alleen de correspondentie naar het station te Londerzeel af te halen. Slechts wanneer er geldverhandelingen bij te pas kwamen, vergezelde mij een vast aangestelde besteller. En vanaf 4 uur 's morgens met de fiets waarop vanachter en van voren zoveel pakken waren opgestapeld dat ik er bijna niet meer overheen kon zien. Hoe dikwijls moest ik rechtstaande op de pedalen vechten tegen de dolle zotte draaikolkende wind in. Zo kwam ik eens van Londerzeel in de winter 1915 terwijl de sneeuw wel 50 cm dik lag, mijn spaken totaal aangesneeuwd. Doodop sukkelde ik dan tot in Londerzeel Sint-Jozef, in de Kattestraat, doodop als een hond. Daar vroeg ik een kruiwagen en die mensen waren nog zo bereidwillig hun hond in te spannen. Hun jongen ging mee naar Puurs, waar wij om tien uur arriveerden. Stel je voor: zes uur lang in zulk een jagende sneeuwstorm.
Later, tijdens de oorlog werd een algemeen verbod uitgevaardigd dat geen fiets meer mocht gebruikt worden zonder een speciale vergunning van de bezettende overheid. Maar dit liet me totaal onverschillig ondanks alle vermaningen van de postmeester. Zo werd ik op een morgen door een sentinelle, die wacht hield bij de staf, ingekwartierd in het huidig huis van Dr. Heylen, aangesproken omdat ik geen vergunning had. Op aanraden van de postmeester die het gebeuren zag, ging ik het geval uitleggen bij de Staf, vertegenwoordigd door vier Duitse hogere officieren. Knakaf antwoordden ze mij : "Nein, nein, nein," zonder meer commentaar. Toen ik daarop terug het postkantoor binnenstapte en de postmeester naar de uitslag van mijn pogingen vroeg, antwoordde ik eveneens : "Nein, nein, nein." "Gij durft een mens nogal aanspreken", zei hij. "Mijnheer de postmeester, ik zeg u alleen datgene wat ze mij hebben geantwoord", vergoelijkte ik. Ondanks die kordate weigering hield ik voet bij stek en gebruikte ik mijn fiets. Ik dacht er niets eens aan het dagelijks traject Puurs-Londerzeel te voet af te leggen met een ballast van correspondentie. Wel hielden een paar Duitse wachten aan d'Hand en op de Wolf me een paar keren staan in de vroege morgen, maar na een korte explicatie lieten ze me toch door met een krachtig : "Fahren Sie durch!" Een veertiental dagen na het voorval te Puurs kreeg ik van die Kommandatur te Mechelen een vergunning - iets in de aard van een paspoort - om me met de fiets te verplaatsen in dienstverband, welke om de drie maand moest hernieuwd worden. Dat kostte me telkens een reis naar Mechelen, maar... dat kon me weinig schelen. 'n Mens moet soms zoveel doen, hé. Maar zodra de situatie voor de Duitsers aan het front minder rooskleurig werd, waren ze meer op hun hoede voor spionnen, met 't gevolg dat ik mijn vergunning om de veertien dagen moest laten hernieuwen. De laatste keer dat ik te Mechelen arriveerde, zei de soldaat van wacht : "Vriend, dat zal de laatste keer zijn dat ik U hier nog zie, want... we krijgen klop, klop, klop... We gaan terug naar huis, naar vrouw en kind. Ba... die Krieg!" Ja, eenieder was de oorlog beu !
In begin 1919 heb ik dan nog een achttal dagen de interim waargenomen te Wintam, waar ik helemaal onbekend was. Niettemin bestelde ik alle briefwisseling met vragen en staven. Allang was ik die onregelmatig afwisseling van dienstronden beu, en vermits er nog geen vaste aanstelling in het verschiet lag, gaf ik de 1e Maart van zelfde jaar de pijp definitief aan Maarten."
Na een poosje van stilzwijgen riep ik onze vriend tot de orde van de dag terug. "En welk was de uitrusting van 'n facteur zoal in die tijd?" Vóór de oorlog 14-18 had iedere besteller 'n kepie die ge best kunt vergelijken met die van 'n huidige gendarm. Daarenboven liep hij met een gaffelke van circa 1 meter 30. Waarvoor dat eigenlijk diende? Misschien om ons te verdedigen tegen eventuele aanrandingen? ... Of om ons te beschermen tegen een of ander uitgelaten hond op een boerenhof dat we aanliepen? Niemand onzer heeft er ooit het praktische nut van ingezien. Integendeel was het een grote hindernis vermits we het altijd, op risico van tuchtstraf, moesten dragen : een zo onhandelbaar iets! Meestal staken we het onder de arm. Gelukkig werd het kort nadien door een gaanstok vervangen, waarop we al eens konden steunen bij een babbeltje - welke facteur heeft er geen? Zoniet lieten we het bengelen in het bovenzakske van onze frak."
"En, Jos, soms geen missing begaan tijdens uw carrière?" informeerde ik. "Ja, maar slechts één enkele keer. Toen ik op 'n middag, na uitzonderlijk de route te Puurs te hebben gedaan, met de postmeester afrekende, stelde deze vast dat ik te veel had ingebracht. Och, Mijnheer, stelde ik hem gerust, dat is de zaak niet. Ik zal U eens gauw zeggen hoeveel stukken van vijf, twee en één frank en hoeveel centen ik ontvangen heb en waar. Natuurlijk glimlachte de postmeester eens ironisch. Maar toen hij, op mijn aandringen, de onderscheiden opgegeven ontvangsten bijeen had geteld, klopte het totaal precies met het aantal ingebrachte stukken. Hij kon z'n eigen ogen niet geloven! Hoe was het mogelijk om zoiets te onthouden, hé? En meteen was de missing ook gevonden. Bij de Brouwerij Meiremans te Puurs had ik het bedrag geïnd van het nummer van de wissel."
"Jos, hadden de facteurs ook voordelen?" "Welja, al waren het eerder minieme. U moet weten, we kregen geen verplaatsingsvergoeding zoals nu. Trouwens, als boventallige was er al niet veel te profiteren. De enige die ik genoten heb, en die voor de vast-aangestelde en de boventallige dezelfde waren, waren de vergoeding voor de geprotesteerde wissels en de gratis spoorwegbiljetten. De eerste was al niet veel, om reden dat het gebruik van wissels niet zo courant was, en werd uitbetaald bij de sluiting van het dienstjaar. Met de spoorwegbiljetten kon ik op de lijn der NMBS twaalf en op deze van Mechelen-Terneuzen zes reizen doen. Fooien kregen we uitzonderlijk en deze met Nieuwjaar brachten al niet veel aarde aan de dijk. 't Volgende zal U overtuigen. Van 27 Augustus tot 31 December 1916 had ik een zieke facteur dagelijks moeten vervangen op een dienstronde te Puurs. Daarna moest ik weer thuis blijven. Eerlijk gezegd, 'k had er een beetje spijt van nu met de Nieuwjaarsdagen te moeten thuisblijven, nu er misschien iets te verwachten was. De postmeester zelf stelde voor die dagen de briefwisseling uit de dragen - onbetaald natuurlijk - alleen maar om het drinkgeld. Maar welk een armzalig resultaat: ik had niet eens mijn drinkgeld rondgehaald! Intussen waren de wijzers der horloge op half tien geschoven en daarom wou ik niet verder meer aandringen."
"Ja, gedane zaken nemen geen keer", zuchtte Jos diep, "Het leven zouden we twee keren moeten kunnen beleven!" "Meent ge dat werkelijk? Wat zou het zijn, mochten we de toekomst peilen? Zou het daarom beter gaan? Ofwel zouden we te overmoedig worden indien het toekomende ons te rooskleurig toelacht, ofwel... zouden we 'n eeuwige pessimist worden in het tegenovergesteld geval. En in beide veronderstellingen zouden we het kinderlijk in ons gemoed er bij verspelen, nietwaar, Jos?"
Sub Turre
Nullamlacus dui ipsum conseque loborttis