Het Kalfortse klooster

   
Overzicht van historische artikels op deze website
Vrededaal

Plan bezittingen klooster

Zusters

 

 

Naast de kapel van Kalfort stond langs de Molenbeek een klooster toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. De oudst bekende vermelding van het gasthuis of hospitale dateert van augustus 1283. In het testament van Wouter van Ruisbroek en zijn echtgenote Elisabeth werd dit gasthuis van Kalfort begunstigd.

Als gevolg van zulke schenkingen verwierf het gasthuis een groot aantal landbouwgronden, meestal in de nabijheid van het gasthuis, nl. op het Winkel- en het Coolhemveld. Aan vele schenkingen was de voorwaarde verbonden arme reizigers "pauperes peregrinos" te herbergen. In de oudste stukken werd er trouwens nog niet van klooster, maar van hospitale of gasthuis gesproken.

De uitbouw van het gasthuis nam dankzij deze schenkingen rond 1300 een grote vlucht. In het klooster waren toen twee afdelingen: een afdeling voor broeders en een afdeling voor zusters. Hoeveel religieuzen er waren, is onbekend, maar het zullen er vermoedelijk niet meer dan een achttal zijn geweest. Aan het hoofd van het gasthuis stond een magister, de gasthuismeester, die verantwoordelijk was voor het beheer. Hij stond o.m. ook in voor de hoeve, die zorgde voor het onderhoud van de kloostergemeenschap. Naast de magister stond de kapelaan, die in de kapel vijf missen per week diende te lezen.

In de 15de eeuw waren er alleen nog maar vrouwelijke religieuzen. De afdeling broeders stierf uit of werd afgeschaft. De moeder van het klooster beheerde de goederen van de kapel en benoemde de priester die dit beneficie moest bedienen. Zij werd ook domina loci, de vrouwe van Kalfort genoemd, waaruit met enige voorzichtigheid kan worden geconcludeerd dat zij sommige heerlijke rechten kon laten gelden. In 1462 matigde de Raad van Brabant zich het recht toe de overste van het klooster te benoemen en stelde als priorin Margaretha Vandenberge aan. Die benoeming was een inbreuk op de rechten van de bisschop van Cambrai, die het recht had de overste aan te stellen. Later werd het recht van de bisschop beter geëerbiedigd. Achtereenvolgens waren Catharina Van der Cammen (1487), Maria Van der Cammen, Joanna Van der Cammen (1507) en Anna Van Heerle overste van de gemeenschap. In 1552 waren er nog vier nonnen, de overste bijgerekend.

Het geringe aantal en de verslapping van de kloostertucht deden Robertus de Croy, bisschop van Cambrai, besluiten de religieuzen te vervangen. Na een nauwgezet onderzoek werd beslist het Augustinessenklooster Vrededaal van Heindonk, dat in 1447 en 1551 door zware overstromingen was getroffen, over te dragen naar Kalfort. Kalfort was beter geschikt voor een kloostervestiging en er waren voldoende financiële inkomsten. De nieuwe religieuzen kwamen oorspronkelijk van Reingerstreet, een eilandje dicht bij Zierikzee bij het eiland Schouwen-Duiveland (Zeeland). In 1482 waren ze naar Ekeren verhuisd, van waar ze op aandringen van Henri de Berghes, bisschop van Mechelen, in 1486 naar Heindonk waren getrokken. Na het akkoord van de vier overgebleven nonnen werd de overeenkomst bekrachtigd op 2 november 1552. Twintig zusters met hun priorin Anna Hermans, hun biechtvader en zijn helper kwamen over naar Kalfort.

De zusters van Heindonk kwamen in het bezit van al de gebouwen, landen en rechten op voorwaarde van aan de vroegere nonnen een behoorlijk pensioen te betalen en naast hun klooster ook het gasthuis te blijven bedienen. Arme pelgrims zouden dus blijvend worden opgevangen, zoals de bestaande fundatie verplichtte. Aan de nieuwe religieuzen werd streng verboden ter gelegenheid van de kermis feestmalen aan wereldlijke personen te geven, zoals de kloosterzusters in Kalfort vroeger hadden gedaan. De pas aangekomen zusters waren kanunnikessen volgens de regel van de Heilige Augustinus. Zij droegen een wit habijt en waren verplicht tot koordienst. Zij zongen dus dagelijks de getijden. Het gasthuis werd Vrededaal genoemd naar hun oude klooster in Heindonk.

Met de Augustinessen brak een nieuwe bloeiperiode aan voor het Kalfortse klooster. De nonnen begonnen in 1553 het koor van de kapel te vergroten om de koordienst te kunnen houden. Het nieuw gebouwde koor mat 10 meter op 8 meter. Ook aan het klooster deden zij opvallende verbeteringen. Zij bouwden een nieuwe refter, een nieuw werkhuis en een nieuwe slaapzaal.

De Zuidelijke Nederlanden werden op het einde van de zestiende eeuw erg geteisterd door oorlog en hongersnood. Ook Kalfort werd niet gespaard. Rond 1580 staken de geuzen het klooster en de kapel van Kalfort in brand. Overste Magdalena Van Dale en haar medezusters werden op de vlucht gedreven. Wanneer de rust was weergekeerd, bleek een herinrichting van het klooster onmogelijk. De gebouwen waren voor het grootste deel verwoest en het klooster was geruïneerd. De overblijvende religieuzen namen met toelating van de overheid hun intrek in andere huizen. Het verlaten klooster werd gesloten en de goederen van het gasthuis en van de kapelanie werden in 1606 door de aartbisschop Matthias Hovius aan het Seminarie van Mechelen geschonken. Hetgeen overbleef van het klooster werd in de zeventiende eeuw ingericht als woning van de kapelaan.

© Niets van deze teksten mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze ook zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.

© Kalfort virtueel > Graag uw reacties