Priester Gerard Saelmans heeft voor
ons nog wat van zijn herinneringen aan het Kalfort van weleer op papier
gezet. We zijn hem hier vanzelfsprekend zeer dankbaar voor. We laten hem
zeer graag zelf aan het woord.
Herinneringen zijn mijn vrienden. Herinneringen hebben altijd verband
met mensen met wie we hebben omgegaan en met gebeurtenissen die wij hebben
beleefd of waarvan wij getuigen waren. Herinneringen blijven in onze hersencellen
opgestapeld en bewaard als kostbare schatten, totdat wij ze oproepen en
terug tot leven wekken. Dan zeggen wij "Ik zie het voor mijn ogen terug
gebeuren alsof het gisteren of vandaag was." De kamer van ons geheugen
is behangen met ontelbare oude prenten. Wij kunnen daarbij zitten mijmeren
en wegzweven naar de tijd van toen.
Zo verging het mij laatst, bij mijn bezoek aan het kerkhof tijdens de
allerheiligendagen, bij de graven van vader en moeder en schoenbroer en
familie, bij het graf van mijn confraters, pastoor Boey en priester Nuten.
Al wandelend voorbij de grafzerken, over de "as van het verleden", streelden
mijn ogen de gebeitelde namen van vele mensen die ik gekend heb. Ik was
terug in een "ander" Kalfort dan het huidige. Zo ervaart ge dat ge ouder
wordt en wandelt aan de grens van de tijd. Zolang namen in de herinnering
blijven, zijn de mensen zelf niet dood. Vergeten en vergeten worden is
het ergste.
Toen ik langs de Coolhemveldstraat verder reed, heb ik een ogenblik halt
gehouden aan de "bewaarschool", of beter de "kattekensschool" van toen,
en daar rechtover staat nog altijd het huis van Pol de Garde. En toen
is dit, mijn verhaal begonnen. Het was als kwam Pol zelf naast mij zitten,
en terwijl ik (in verbeelding) door het "vroegere dorp" reed, heb ik met
hem gepraat! Stel u voor!
Waar is de tijd, dat er in de gemeente Puurs slechts drie orde- en veiligheidsbewaarders
waren: de commissaris Alexander Vierman, veldwachter Frans Van Der Linden
(voor Puurs) en Leopold Caluwé voor Kalfort! Onder hun hoede en die van
een zestal gendarmen, voelden de mensen zich veilig en beschermd. Pol
de Garde is in 1934 overleden, 64 jaar geleden. En toch zie ik hem voor
mij in levende lijve. Ik hoor terug zijn zware baritonstem waarmee hij
de mensen een vriendelijke "goedendag" toeriep. Ik zie zijn ogen schalks
glinsteren. Ik zie terug zijn kordaat gebaar bij de een of andere ordehandhaving.
Pol deed zijn "dienst" als veldwachter per fiets. Ge moet weten dat hij
aan "reumatiek" leed en dus moeilijk te voet kon gaan. Fietsen was ook
maar aan de trage kant. Maar in die dagen "hadden de mensen tijd" en was
het levensritme ook menselijk aangepast: traag.
Pol deed de gemeentelijke opdrachten zorgvuldig, nauwgezet en plichtsgetrouw.
Hij had niet "zo maar zijnen eed gedaan". Wanneer hij hier of daar "papieren
van den Bureau" moest laten ondertekenen, dan kwam Pol daarvoor ten huize.
Afstappen van zijn fiets was een pijnlijk werk: hij zette de linkervoet
op de grond, liet de fiets naar links zakken, zo laag, dat hij zijn stramme
rechterbeen over het achterwiel kon draaien, kwam dan traag op beide voeten
recht, en steunend op het stuur van de fiets, ging hij moeizaam naar waar
hij moest zijn. Dan begon hij het gesprek zoals altijd: "Zie mensen, 't
is hier de zaak van...". Hij gaf dan de nodige uitleg en las de "papieren"
voor. Gewoonlijk moesten de mensen dan "tekenen".
Dat was voor veel mensen in die tijd een moeilijk geval. Niet van te verschieten,
als ge weet dat vele kinderen niet naar school waren geweest of toch maar
nu en dan. Ik hoorde zeggen dat in de tijd van meester Huygens er in de
winter 50 kinderen in de klas zaten en in de zomer 10 - dan moesten ze
mee thuis werken. De leerplicht bestond nog niet. Dat er mensen waren
die niet konden lezen of schrijven of hun "naam zetten", was courant.
Die mochten tekenen met een kruiske. Schrijfgerief was bij de meeste mensen
in die tijd niet in huis: geen inktpot, geen pen. Dat wist Pol allemaal
uit ondervinding. Maar hij had altijd zijn gerief bij zich, gelijk een
goeie soldaat zijn wapens. Een pennenstok met ballonnekenspen, stak boven
zijn rechteroor tussen zijn kepie, de pen gevaarlijk naar voor. Vulpennen
bestonden er in die tijd niet en zeker niet op "den Bureau van 't gemeentehuis".
Pol had altijd inkt bij zich, in een klein bruin "teinture-d'iote-fleske",
met een kurkenstoppeke erop. Dat fleske bengelde aan een koordje, aan
de tweede knop van zijn "tenue". Om te schrijven ging Pol zitten, opende
zijn fleske, legde het stopke naast zich, nam zijn pennenstok en doopte
die in het neerhangend fleske, en schreef met natte pen de woorden die
de onkundige mensen zelf niet konden schrijven. Dan ondertekende men,
hetzij met de volle naam of met een kruiske. Bij het laatste gaval schreef
hij er bij: "voor echt en waar" en tekende dan zelf. Het stoppeke werd
terug op het fleske gezet, de pen afgedroogd en tussen oor en kepie geschoven.
Een hele ceremonie met een plechtig tintje.
Gewoonlijk brachten de mensen intussen een borreltje of zo: "Drink eens,
Garde!". Dat was ook geen doodzonde en rond de noen een prikkel voor het
noeneten thuis; want 's middags was Pol gewoonlijk aan tafel met gans
het gezin. Dààr kon hij "vader" zijn, samen met moeder "Lik" (Angelique)
voor de vijf kinderen: Jan, Maria, Fons, Yvonne en Jeanne. Van kinderen
gesproken: Als 't Kalfort kermis was, dan stond de Dorpsstraat aaneen
met kraamkens en bazaars, "Maria Meuldermans" en "Filleke Kakeree" van
Puurs waren er altijd bij, en standwerkers en waarzeggers en tandentrekkers
en verkopers van alaam en Mechelaars met snoepbollen en poppenkramen,
teveel om op te noemen.
Voor het gemeentebestuur was dat de beste gelegenheid om ervan te profiteren
en zo geld in 't kaske te krijgen. Daarvoor moest weerom Pol de Garde
zorgen. De handelaars betaalden per lopende meter die ze van de straat
innamen. Pol schatte de ruimte en scheurde een "bonneke" ter waarde van
de getakseerde grond. Hij droeg daarbij een lederen "sacochke" over de
schouder. - En nu ben ik er; bij die financiële werkzaamheid was Pol gewoonlijk
vergezeld door een of meer van zijn telgen, die naar gelang de uitstalling
in de kramen, met gretige oogjes de dingen met hun kinderlijke verlangens,
begerig aankeken of soms met een voorzichtig vingertje aanwezen. Hoe zijn
kinderen? De man of de vrouw achter de kraam, had dat rap gezien en -
ge kunt nooit weten waarvoor het goed kan zijn - wist het kinderhandje
en het begerige hart te vullen; ook tot contentement van Pol, die dan
genoeglijk lachte.
Omdat we nu toch over Kalfort kermis klappen: dan ging na de Hoogmis de
processie uit, een echte processie met godsvrucht en wijding die in de
lucht hing. Daar waren groepen van schoolkinderen met onderwijzeres en
onderwijzeressen, knapen, verkleed als ridders van Christus Koning, groepen
met heiligen, als de Heilige Theresia van Lisieux, de Heilige Jozef, Onze-Lieve-Vrouw
van Lourdes, vlaggendragers, sterke mannen gelijk Louis Fraweel. Het beeld
van Onze-Lieve-Vrouw ten Traan, gedragen door jonge vrouwen, begeleid
door mannen, die nu en dan de zware last overnamen. Er was muziek van
fanfare en pompiers. Tenslotte het voornaamste: het Heilig Sacrament,
gedragen, onder gouden baldakijn, door Monseigneur Bellon, of de Hoogeerwaarde
Vader Abt van Bornem, of Kanunnik De Mesmaecker van Wintam, omgeven door
een tiental jonge priesters uit de regio, allen in kostbare gewaden die
blonken in de zon. En wanneer de klokken dan begonnen te luiden, was die
processie als een hemels gebeuren. De zangers van het kerkkoor deden hun
best om met Latijnse liederen de lof des Heren te verkondigen, terwijl
misdienaars met wierookvaten zwaaiden en het Heilig Sacrament met geurige
walmen omhulden. Dan volgden de kerkmeesters en de heren van het Gemeentebestuur,
de Burgemeester vooraan.
Maar wie op ons, jonge knapen, het meeste indruk maakte, was Pol de Garde.
Die dag had hij zijn "ceremonie-tenue" aan: groen lakenstof, keurig van
snit en belegd met de nodige gallons en eretekens, een rechte kepie op
de kop, met kokarde en gouden stormkoord. "Moeder Lik" had er voor gezorgd
dat haar man er onberispelijk voorkwam. Maar dat was nog niets. Wat in
onze ogen blonk was die zilverblanke sabel met kwast, die Pol in de hand
droeg als iets kostbaars en heilig! Een uitzonderlijk waardigheidsteken
voor een veldwachter. Het toppunt kwam er, wanneer de priester aan het
kapelleke van Gust Nuten de benedictie gaf met het "venerabel". Dan blies
men het "Te Velde" en tegelijkertijd loste een verdoken schutter, in de
tuin van Tistje Zegers, drie salvo's uit zijn jachtgeweer, een "superposee".
't Is dan dat Pol de Garde een stap voorwaarts deed en zijn blanke sabel
"presenteerde", fiks, manhaftig, spijts zijn reuma, bereid tot de daad
als 't moet. Onvergetelijk blijft tot op heden, dat beeld op het netvlies
van mijn ogen gebrand. Een mens zou er wel weemoedig bij worden.
Eén keer per jaar kwam Pol de Garde in de huizen waar ze een velo bezaten.
Niet om een proces te maken (dat woord kende Pol niet). Om met een fiets
op straat te mogen komen, moest ge, in die tijd, belasting betalen aan
de provincie en aan de gemeente. Als bewijs kreegt ge dan een metalen
plaat met nummer. Elk jaar in andere kleur. Ze moest bevestigd aan het
voorwiel links. En 't is hier dat Pol weerom zijn dienst aanbood. "'t
Is hier een zaak", zo begon hij, "van de veloplaat, ge weet wel." Daar
was geen verdere uitleg bij nodig. Pol schreef de kwijting en de mensen
betaalden met een naar-boven afgerond cijfer. Ge verstaat dat. En hier
en daar werd weer eens de borrel opgehaald, maar dat wil niet zeggen dat
Pol "er op uit was", neen! Het was een vrijwillige dienst tot tevredenheid
van de mensen van het dorp.
Maar enkele keren per jaar verscheen Pol op straat met een opdracht: als
"Belleman". Toen waren er geen dienstauto's met luidsprekers, geen gemeentelijk
Infoblad, neen. De mededelingen gebeurden mondeling, van mens tot mens.
On den "hoek aan den Boel" stapte Pol van zijn fiets, voor de eerste keer.
Hij nam een bel uit zijn velozak en begon een poos te bellen om de mensen
op te roepen. Dat geluid kende iedereen. De mensen hielden hun werk even
op, staken de koppen buiten om te vernemen "wat het nu weer zou zijn".
De kinderen die dat bellen plezant vonden, kwamen rond de garde staan
om er dicht bij te zijn. Pol las dan met luide en duidelijke stem het
bericht vanwege het bestuur, bv. "dat de ouders hun kleine kinderen moesten
laten inenten tegen de pokken; dokter Peeters of dokter Maes zouden dat
doen in 't café van de 'Zwolm' en dié dag en dàt uur. Dat eindigde altijd
met: "Men zegge het voort!" Dat was in die tijd de vorm bij uitstek voor
zogenoemde "public relations". Beste lezer, gij die nu met een GSM in
uw zak loopt of thuis voor een computer met internet speelt, denk er aan,
dat maar een goeie 70 jaar ons scheiden van toen en nu!
De veiligheid op straat werd in de gemeente - ik zegde het al - mee verzekerd
door de gendarmen die hun kazerne hadden aan de huidige Guido Gezellelaan.
Die mannen van de WET reden ook niet in een combi, zoals nu, wel per velo
en naast zich twee honden. Ik vertel dat tussendoor, omdat Pol de Garde
samen met die gendarmen ooit een moordzaak heeft opgelost - op korte tijd.
In Pullaar was een kind vermoord: een dochtertje uit het gezin Segers.
Dat moet geweest zijn rond de jaren 1925. De speurzin van Pol bracht hen
al gauw tot bij een eenzame woonwagen in de buurt en daar had Pol de misdadiger
te pakken. Het ganse verhaal konden de mensen 's zondags daarna vernemen
uit de mond van een "liedjeszanger" na de missen op het Kerkplein.
Rond de jaren '30 begon Pol wat te sukkelen met de gezondheid, buiten
zijn reuma. Het werd maar erger en erger en tenslotte fataal. In 1934
overleed hij. Moet ik zeggen dat de kerk te klein was, om al de mensen
te ontvangen die naar zijn begrafenis waren gekomen? De mensen van Kalfort
voelden zich verloren en onbeschermd op straat: geen Garde meer! Wie moet
hem nu opvolgen? Het Gemeentebestuur zat met een probleem. Om op die algemene,
bijna wanhopige vraag een antwoord te krijgen, was er geen "referendum"
nodig. Het oude Romeinse adagium "Vox populi, vox Dei" (de stem van het
volk is de stem van God) bracht de oplossing. "Jan Caluwé, de oudste zoon
van Pol, moet onze Garde worden, en zijn vader opvolgen tot steun van
het gezin waarover moeder Lik voortaan alleen de zorgen had." Allemaal
goed en wel, maar de jeugdige leeftijd van de kandidaat? De gemeenteraad
overlegde en de vroede vaderen beslisten: "Jan Caluwé wordt politieagent
in de gemeente." Hij zou geen veldwachter zijn, geen groen laken kostuum
dragen en ook geen blanke sabel! De mensen waren tevreden, er was vreugde
in 't dorp en in het gezin van weduwe Angelique Caluwé-Cools.
Gelijk de mensen van Pol de Garde gehouden hebben, zo hebben ze ook de
Jan van bij 't begin in 't hart gedragen en in hem altijd zijn vader,
Pol de Garde, herdacht als de beste, laatste veldwachter van Klein-Brabant.
In de tuin van mijn herinneringen staan ze voor mij als twee hoog opgeschoten
zonnenbloemen, waar ge moet naar opkijken. {foto}
Nullamlacus dui ipsum conseque loborttis