Moest ge in die tijd - vóór de oorlog - in Kalfort aan iemand gevraagd hebben: "Waar woont Hendrik Van Hoeck", geen mens zou dat geweten hebben. Maar "Den Heintje", dat kon het kleinste kind u zeggen: "Ginder, op den Aspot". Daar woont Heintje Van Hoeck met zijn vrouw Christien, zijn drie zonen en zijn drie dochters.
Maar toen de oorlog uitbrak in 1914, moest hij daar weg, gelijk al de mensen van "Den Dries". Want het Belgisch leger had bevel gegeven al de huizen van de Haagstraat en den Dries af te branden en plat te leggen! Hetzelfde gebeurde met de huizen van Liezele en Breendonk. Ze vonden dat noodzakelijk: "om de Duitsers te kunnen zien aankomen en alles kapot te schieten met de kanonnen van het Fort van Liezele". Maar die hebben niet veel moeten werken. Daarom moesten al die mensen daar weg, uit hun huis. In dat geval waren Louis Lemmens, Seppeke Cammaert, De Loene, Jan Van Delm, Jan Schellemans, Jules Meersmans, Bakker Daelemans, Louis Teck, Heintje Moons, Franske De Bondt enz. Ze moesten ergens onderkomen vinden. Dat was ook het geval met Heintje en zijn gezin. Gelukkig mocht hij binnen bij "'t Ventje", de blokmaker, Aloïs van Bogaert, in de Hamerstraat. 't Ventje en zijn vrouw Stefke hadden zelf drie dochters en twee zonen: Evarist en Charel die toen reeds aan 't front vocht. Hoe ze het klaarspeelden bij 't Ventje om met twee huishoudens samen te leven en te slapen weet ik niet. Alleen de naastenliefde is vindingrijk en zeker in nood.
Heintje heeft jarenlang gewerkt aan den "bassin" te Antwerpen, aan de dokken. Hij en de Fele van achter "d'hoven", gingen elke dag te voet naar Wintam om daar over te zetten naar Hoboken en Antwerpen. In de zomer gingen ze "los in hun blokken" die ge van ver hoorde klakken tegen hun eeltige voeten. In Antwerpen liepen ze "onder de zak" en losten ze schepen: katoen, rijst, koffie, kolen, zware kisten; kranen bestonden er niet zo veel. Dag-in-dag-uit deden ze dat; hun kinderen zag ze niet, een heel week lang, alleen 's zondags.
Christien, zijn vrouw, was gelijk ze toen zegden: "achterwares", nu noemen ze dat "vroedvrouw". Maar dat woord kenden de mensen niet en materniteiten bestonden er niet; de kinderen werden thuis gekocht. Daarbij was Christien een zorgende en helpende hand. O!, die handen van Christien: wie zal ze tellen de kinderen die zij in haar twee handen heeft in de wereld geholpen en gewassen en gekoesterd bij de geboorte en tien dagen daarna. Samen met de vader en peter en meter ging zij ten doop, soms de dag van de geboorte. Na de doop gingen ze dan een pint drinken bij "Danieke Maes" of bij "Den Boel". De tiende dag na de geboorte ging Christien met de jonge moeder 's morgens vroeg naar de kerk, voor de "Kerkgang". Christien droeg het kindje, ze droeg daarbij een witte "snurk" over het kind en haar eigen schouders; ze gingen knielen voor het zijaltaar van Onze-Lieve-Vrouw en baden met de pastoor om geluk over moeder en kind. Christien Van Hoeck en Wiske van Jan Bal - ook een "achterwares" hebben een hele generatie kinderen van Kalfort op de wereld geholpen.
Het tweede jaar van de oorlog kochten ze bij Heintje Van Hoeck nog een zoon: Louis heette die, zo oud als ik en schoolkameraad geweest, nu al vele jaren overleden. Toen waren ze bij 't ventje de blokmaker met vijftien mensen om te eten en te slapen! Gelukkig was Heintje een sterke man, groot en breed. Als hij in 't gat van de achterdeur stond, dan was dat gat potdicht. - En handen dat hij had! - Zo groot! Leg daar op tafel een rode kool, een zeer grote en zeg tegen Heintje "Die kunde gij langs boven toch niet oppakken." Dan antwoordde hij: "Snotneus". Hij legde de opengespreide hand op de kool, bijna plechtig. En greep die dan in zijn wijde vingers vast, zó vast dat hij met alle gemak de kool ophief en omkeerde in zijn handpalm. Hij stond daar als een "Atlas" die de wereld draagt in zijn hand. Heintje zei niets, maar grinnikte van plezier. "Wat zegde daarvan?" Hij legde de kool terug op de tafel even gemakkelijk alsof het een gekookte ei was.
Toen wij zo een jaar of 10-12 waren (Jules Van Den Bael en Honoreke en Bertje Borghijs) gingen wij dikwijls bij den "Heintje" staan zien als hij houten aan 't kappen was. Ge moet weten, elke namiddag trok de blokmaker, "'t Ventje", met zijn gasten naar de "Houte Brug". Daar lagen de bomen: canada's en wilgen. Dagelijks werden daar een paar bomen gezaagd in stukken van 50 centimeter. Daaruit werden blokken gekapt en geboord en gesneden. Een kunst was dat! Het gat van de boom en de top waren afval en werden tot brandhout gekapt.
Het kappen was werk voor Heintje. Dat gebeurde op de "achterbuiten" van het blokmakershuis. Daar lag een groot wilgenboomgat dat dienst deed als kapblok. Daarop plasseerde Heintje zijn stuk hout, nam zijn bijl, een zwaar blinkend stuk staal van wel 5 kilo, spuwde nog eens in zijn handen en hief de bijl omhoog boven zijn kop en met spannende armen sloeg hij de bijl in het splijtende hout: ineens door! Die twee helften in twee en dan nog eens. Als hij zo een hele hoop gekapt hout had liggen, zette hij zijn bijl op zij, legde de stukken hout in een vierkant van een meter. Zo stapelde hij voort, hoger en hoger, een meter hoog in een volmaakte kubus.
In de school had meester Cortebeeck ons geleerd, dat zo een mijt ook "Stère" genoemd wordt. En met fierheid en onze wetenschappelijke kennis, vroegen we aan Heintje of hij dat ook wist. "Wat moet ik weten, jongens?" Hij zal het wel geweten hebben, maar wilde het niet zeggen.
Als het hout taai was, bij voorbeeld het gat van een wilgenboom, dan ging het kappen niet zo gemakkelijk. Dan spuwde hij eens meer in zijn handen vooraleer hij zijn bijl omhoog hief. Ik moet ook nog zeggen dat Heintje maar één oog had, zijn rechter, hoe hij die ander kwijt was geraakt, dierven wij niet vragen. Dat oog was toe, alleen een klein spleetje was er, waaruit nu en dan precies een traan sijpelde. Maar met zijn goei oog kon hij perfect mikken: de houtblok in 't midden door, altijd. Als hij het gat van een taaie wilg moest klieven, dan was het kappen lastiger. En ik moet er nu nog om lachen, als ik dit schrijf. Want Heintje had plezier om ons te doen verschieten: als hij kapte en hij kreeg zijn bijl niet gemakkelijk los, dan wrong hij links en rechts en maakte een krochend geluid in zijn keel maar liet tegelijkertijd in zijn brede achterbroek krakende geluiden ontsnappen. En dan wees hij met een grote dikke vinger naar ons die stonden te lachen en op de billen klopten van plezier en hij zei: "Dat hebde gij gedaan!" "Neen, Heintje, 't kwam uit uw broek!" Een streepje vocht liep uit het speeltje van zijn slechte oog, en Heintje was gelukkig om al zijn deugnieterij.
"Ha! De meester leert u ook al over houtkappen en stèren?" (Heintje was ook een stroper). 'Ik zal u eens iets leren, zie." En hij plantte zijn bijl in de kapblok, zijn linkervoet op de kapblok en hijzelf een beetje gebogen. "Zie, nu moet ge denken dat mijn bijl een haas is. Hoe kunt ge nu een haas vangen?" "O, Heintje, met zout op zijne staart te leggen." "Heeft de meester u dat ook geleerd?" Hij ging een paar stappen achteruit en dan met grote, trage schreden in een kring rond de kapblok waarop de "haas" in zijn "leger" lag. De armen naast het lichaam, de rechterhand met gespreide vingers gereed om te grijpen. Terwijl hij gebogen voortging, verkleinde de kring en met zijn rechter goeie oog hield hij de prooi in 't oog, zonder iets te zeggen. Wij moesten ook stil zijn, tot hij op een onverwacht moment riep: "Ik heb hem" en triomfantelijk de haas pakte. Wij ver-schieten en lachen!... Wij zagen een "echte haas". Heintje hield hem bij de keel en liet het beestje spartelen, en bootste de geluiden na van de haas, hoe hij kreunde en "smeekte" om te mogen blijven leven, maar neen, Heintje nam de "haas" bij de achterpoten, de kop omlaag en met een korte slag van zijn rechterhand sloeg hij de nek over, de haas reutelde en stierf. Dat deed ons toch schrikken, en wij hadden compassie met het haasje, want wij zagen het allemaal echt gebeuren voor ons ogen, terwijl Heintje zijn rol van stroper voor ons speelde.
Ik zou nog kunnen voortvertellen met wat Heintje ons ver-telde, hoe hij konijnen ging vangen met de "lichtbak" in de "10 dagwand" en hoe hij bereden werd door "Kleudde" en de weerwolf die de tenen van de kinderen afsneed, in de zomer als ze barrevoets liepen. Heintje had de "weerwolf" dikwijls weg kunnen jagen omdat hij zo sterk was. Maar "Kleudde", dat zwart beest sprong op zijne rug en klampte zich vast terwijl hij zijn hete adem in Heintjes hals blies. Zweten dat hij deed, en lopen en vallen en recht kruipen, zodat hij bijna niet meer verder kon. Van de "Tien Dagwand" tot bij hem thuis was een afstand van een half uur; dat moest hij uren over-marcheren met schrik en zweet en Kleudde op zijn rug. En dat, tot hij ergens aan een huis kwam waar nog licht brandde. We luisterden en keken naar mekaar uit vrees voor die lelijke Kleudde. Die verhalen vergeet ik nooit. Later las ik over die volksverhalen in een van de uitgaven van Klein-Brabantse heemkunde, maar als we Heintje hoorden vertellen, dan was dat allemaal echter.
Drie zonen werden blokmakers. Maar Heintje was een fac-totum. Hij deed van alles, liefst zwaar werk. Zo ook - dat moet ik nog vertellen - werkte hij bij "Frans van Kobe Waters" of de "marchand". Die deed in kolen in de Schipstraat, waar nu het rusthuis staat. Die kolen kwamen per wagon te Puurs aan. Daar werden die "gelost". Met twee drijwielkarren: één kar werd gevuld met kolen terwijl een tweede aankwam om op haar beurt geladen te worden. Dat lossen en laden deed Heintje. Een hele dag, tot 's avonds laat. Dan lag het kolen-hok van de marchand vol: een reserve voor de winterstook van heel Kalfort (hoewel Jef Peleman van Puurs een geduchte concurrent was). Wanneer die kolen werden uitgevoerd bij de klanten, dan nam Frans het kordeel en was voerman. Heintje ging naast de kar. Waar er moest geleverd worden, bleef het paard staan op het teken van het kordeel. Heintje kende zijn werk, ging naar de achterkant van de kar waar de zakken kolen schoon naast mekaar stonden. Heintje keerde zijn rug daarnaartoe en greep achterwaarts met zijn grote handen de zak kolen vast, trok die op zijn schoft en krochte even, kwam recht en droeg met alle gemak de kolen waar ze moesten komen. Honderden kilo's per dag! Dat was hij gewoon van in de tijd dat hij naar de Bassin ging in Antwerpen, met de Fele. Dat was geen stielwerk. Alleen werd er kracht van 't lichaam gevraagd. En die kon Heintje geven.
In de herfst had Heintje weer een ander werk: bomen uitdoen. Nu gebeurt dat met een kettingzaag. Twintig centimeter boven de grond wordt de boom afgezaagd: een werk van een kwartier. Maar toen! Ik heb Heintje dikwijls bezig gezien aan zo een boom. Met zijn schub legde hij de voet bloot en de grote wortels. Ging wat van op afstand zien hoe en waar de stam zou vallen. Dan begon hij te kappen: eerst de zware steunwortels. Dan kapte hij de voet van de boom tot een punt bijna. Het gevaarlijk moment kwam dan: het vallen van de boom. Heintje was een specialist in dat werk. Bij mijn weten heeft hij nooit een ongeluk gehad. Als de kruin van de boom er af was, kon Jules de Vrachtman komen met den "euts" om de boom naar de stapelplaats van de blokmaker te brengen.
Zo ging de levensloop van Heintje voort tot het einde van zijn dagen. Heintje is oud geworden, inwonend bij zijn jongste dochter, Joske Van Hoeck, in de "Vijfhuizen". Ik ben één van de laatsten die Heintje gekend hebben. Ik ben zelf nu 82 jaar. En niet zoveel mensen in Kalfort zullen zich de naam van Heintje nog herinneren. Wij die het geluk hadden hem gezien en gehoord te hebben, gedenken hem met genegen gevoel. We zien hem terug samen met die "koppen" over wie Richard De Wachter schreef in zijn novelle "Fluppe Vennes": Janneke Borms, 't Zwetteke, de Carool, de Witte Kasser, de krusser. De wandeling doorheen onze herinneringen verwarmt het hart en doet de zon schijnen over het mooie dorp van Kalfort uit die tijd.
Nullamlacus dui ipsum conseque loborttis