Palingvissen in de Molenbeek


Binnenkort is het weer Kalfort Kermis. De gelegenheidsrestaurants bieden ons dan niet alleen smakelijke mosselen, maar traditiegetrouw ook paling in 't groen. Deze paling komt helaas niet meer uit onze eigen Molenbeek. Uit Coolhem Spervuur haalden wij de volgende mijmeringen van For Ever over de tijd waarin in de Kalfortse beek nog echte paling kon worden gevangen.

Wist gij, of hebt gij er al eens aan gedacht, - onze echte vissers maar al te veel en met welk een heimwee!- dat de Kalfortse beek tot vóór een tiental jaren terug nog gekend was om haar palingvisserij? En of deze paling trok had, dat zou ik wel geloven! 't Was de beste van uren in de omtrek. En of er vroeger, meer dan vijftig jaar terug, gevist werd, daaraan kan niet worden getwijfeld.

Tot staving hiervan zal ik U een paar namen van echte palingvissers, waarover gij reeds hebt horen spreken, citeren. De oudste, en die heb ik persoonlijk goed gekend, was wel de "Witte Kasser" uit de Vijfhuizen, 'n echte poerder van kop tot teen. Deze wist wanneer er iets te vangen was, en wel bij donkere nacht, dus weinig of geen maneschijn, met een licht briesje uit het Westen en bij voorkeur een beetje onweerachtig. Naar ik zeker vernomen heb - uit officieuze bron, natuurlijk - spookte het nogal dikwijls. Wanneer de Witte daaromtrent gepolst werd, hapte hij nooit. Waarom? Wel, dat was nu eenmaal de Witte Kasser: 'n grote mond en veel lawaai, maar... een klein hart en zo rap benauwd! Hoe dikwijls hij gaan lopen is voor die spoken; en met zulk een vitesse dat zijn palingen uit zijn kuipke vielen, dat heeft hij me nooit gezegd. Maar, dit staat zo vast als een muur.

Een ander type van Palingvisser, die gespecialiseerd was in het leggen van fuiken, was wel René van den langen Boensj, die ook een tijdlang in de Vijfhuizen heeft gewoond. 't Schijnt dat die menige wonderbare visvangst heeft meegemaakt bij het ophalen van zijn fuiken tussen de houten en de ijzeren brug.

Om met de oudere generatie te besluiten, had ge dan nog Rieke van 't Zwarteke van den Amer, die het eenvoudigste, maar misschien niet minder productief middel aanwendde, namelijk het kruisnet.

Die heeft, naar het schijnt, ook menige kuipkens naar boven getrokken. Naar het schijnt, zeg ik, want tussen die mannen bestond een onderlinge rivaliteit, die tot menige fratserij aanleiding gaf. Had de Witte bv. zijn collega's eens overbluft met de tiental kilo's paling die hij gevangen had, dan konden ze het hem niet beter betaald zetten dan er te gaan spoken en de Witte op de loop te zetten. Ja, vroeger dan werd er pleizier gemaakt, zou Notjes zeggen!

Maakte de palingvisserij in de jaren '30 een crisis door en beperkte ze zich toen tot bovengemelden en nog enige anderen van de Essendries, dan was zulks niet meer het geval tijdens de eerste jaren van de oorlog 1940-1945. Dan kende zij een onverwachte evolutie. Er waren "liefhebbers" bij de vleet te vinden voor die "sport" om toch maar een kiloke paling - het enige dat men nog gratis kon bemachtigen, en zonder zegeltjes! - naar huis te kunnen meedoen.

't Was trouwens in die periode dat ik als visser debuteerde, en de eerste keer was 'n buitengewone meevaller. Ondanks dat de palingen tot in de appelboom van Geune van de Kap wipten door mijn onhandigheid, had ik dien nacht de rijkste buit. En of ik fier was, dat moet ge niet vragen! Ik herinner me nog goed dat onze vissers, ondanks het door de bezetter uitgevaardigd verbod zich nog na twaalf uur 's nachts te laten zien, met slechte kousen op hun klompen de steenweg overliepen om toch maar geen gerucht te maken. Ik zie er nog een twaalftal muisstil zitten in de weide rechtover de koster, zo goed mogelijk verborgen in de schaduw van 'n boom, wanneer het maantje hun eens schuchter 'n goeie vangst kwam toelachen.

Daaromtrent wil ik U nog volgende anekdote vertellen. 't Was bij pikdonkere nacht dat onze vissers weer waren opgekomen. De Witte Kasser zat vlak tegen de stenen brug aan de parochiezaal, terwijl ik een twintig meter verder zat. Regelmatig voelde ik de elektrische stroom in mijn poerstok en de palingen vielen nogal dapper in mijn kuip, totdat de Witte het niet meer kon kroppen. "Zeg, Jef," vloekte hij, "Da's na toch curieus, gij vangt den enen achter den anderen, en hie, in meune pai marcheert 't niks!" "'k Geloof dat 'k mee m'n hanne aan den tros gewest ben, nada 'k es gesmoerd em!" Daarop fluisterde ik de Witte eens cynisch toe : "Ja, Witte, m'n piere zeulle van eerste categorie zijn, want die beestjes emme het oek nie al te vet in deze tuid!", terwijl ik instinctmatig mijn zaklicht aanknipte. 'k Moest het uitproesten van 't lachen. Stelt u voor: al meer dan twee uren zat de Witte met zijn tros pieren boven water! Wie had dat ooit durven veronderstellen van zulk 'n visser, zulk 'n ancien in 't vak? Ge moet niet vragen hoe de Witte op zijn sik beet!!!

Maar ja, die goeie tijd voor de palingvisserij is voorbij. In zulk een rottend water, gelijk we dat de laatste jaren gezien hebben, kan zich bijna geen vis meer houden. En meteen is het cijfer der vissers terug gevallen tot een paar mannen - maar dan de echte liefhebbers -, waaronder we Jozef Geniets nog moeten vermelden, die nog zoveel uurtjes aan de beekkant doorbrengt misschien met het intens verlangen dat die nog wel eens zal terugkeren. Wie weet? Laat ons - al zijn we dan geen vissers - hopen van wel, enkel en alleen maar uit sympathie voor die mannen, en als beloning voor hun leuze: "Nooit versagen!"

Want een poerder heeft een speciaal moraal, weet ge? Die moraal bestaat hierin, dat gij vier à vijf uur aan 't water zit met een poerstok in d'handen en wacht totdat er iets gebeurt, dat gewoonlijk niet gebeurt. En 't komt er daarenboven nog op aan meer geduld te hebben als de paling zelf, die meestal meer geduld heeft dan gij. En als gij dan 's nachts naar huis gaat, dat gij U kunt wijs maken dat gij U geamuseerd hebt en met de vaste overtuiging, dat gij de palingen, die ge vandaag niet hebt gevangen, 's anderendaags wel zult te pakken krijgen!

For EverMolenbeek

Nullamlacus dui ipsum conseque loborttis

Nullamlacus dui ipsum conseque loborttis non euisque morbi penas dapibulum orna. Urnaultrices quis curabitur phasellentesque.

Continue Reading »